Hindernissen en lijntjes rijden

Dit artikel schreef ik voor Pumps & Paarden en werd vorige week gepubliceerd in de Instructiecolumn rubriek.

Door het rijden van balkjes, cavaletti en eventueel in-uitjes heb je je paard goed opgewarmd en kunnen we verder met het rijden van een hindernis.
Als je begint met het rijden van een enkele hindernis kan je deze het beste op een ‘makkelijke’ plaats neerzetten. Dit is bijvoorbeeld op een lange zijde of op de diagonaal.  (Hierbij hou je wel de hoefslag vrij voor bijvoorbeeld andere ruiters. Bij het rijden met een jong paard is het wel makkelijk om een hindernis op de hoefslag te zetten.)
De hindernis bouw je rustig op door er eerst een kruisje van te maken en dan rustig op te bouwen naar een stijlsprong en later een oxer.
Het aanrijden van een hindernis doen we in principe vanuit galop, maar als je er voor de eerste keer overheen gaat is het rijden vanuit draf ook prima.

Het is belangrijk dat je recht op een hindernis afrijdt. Hierdoor kun je de afstand goed inschatten en kun je mooi over het midden van de sprong rijden. Als je moeite heb met het recht aanrijden van een hindernis is het goed om de zijwaartse hulpen te oefenen.

Slingert je paard naar de hindernis? Meestal komt dit door een te laag tempo. Iets naar voren rijden zorgt er vaak voor dat je paard niet meer slingert.
Wijkt je paard voor de sprong iets uit naar rechts? Druk hem dan met je rechterbeen terug in je lijn. Als je paard hier niet goed op reageert is het verstandig om eerst dressuurmatig de buiging en de reactie op je rechterbeen te oefenen door het rijden van kleine voltes en het wijken voor de kuit.

Wijkt je paard voor de sprong uit naar links? Zelfde verhaal als hiervoor, maar dan oefenen je juist de buiging en reactie op je linkerbeen.

Tempo
In het aanrijden naar een hindernis probeer je een voorwaarts tempo te houden. Dit is belangrijk, omdat je dan kan schakelen naar de hindernis toe. Als je te langzaam rijdt is de kans op het maken van fouten groter. In de dressuurmatige training kan je het tempo ook oefenen. Probeer veel te schakelen in de galop, regelmatig een wat hoger tempo aan te houden en af en toe in de verlichte zit te galopperen.

Lijn rijden
In het rijden van een lijn, waarbij twee (of meer) hindernissen achter elkaar staan binnen een aantal galopsprongen van elkaar, is het belangrijk dat je je paard recht en voorwaarts kan houden.
Om te beginnen is het makkelijk om van de eerste hindernis een kruisje te maken, zodat je makkelijk het midden aan kunt houden.
Zorg dat je in een voorwaarts tempo naar de eerste hindernis toe rijdt en over het midden springt. Boven de eerste sprong kijk je al naar de tweede hindernis, houdt een voorwaarts tempo aan en houdt je paard tussen je twee benen (de zijwaartse beenhulpen zijn hier belangrijk!) om slingeren te voorkomen.

Bij het rijden van lijntjes kan je variëren in aantal galopsprongen en hoogte. Ook kan je twee hindernissen op een gebroken lijn zetten, waarbij het belangrijk is dat je je paard in de wending om je binnenbeen kan buigen.

De afstanden tussen twee hindernissen in een lijntje zijn (voor een paard, ongeveer) als volgt:

1 galopsprong: 7 meter (een dubbelsprong)
2 galopsprongen: 10,5 meter (ook een dubbelsprong)
3 galopsprongen: 14 meter
4 galopsprongen: 17 tot 17,5 meter
5 galopsprongen: 21 meter
6 galopsprongen: 24,5 meter

Als jouw paard een kleine of juist hele grote galopsprong heeft kan het zijn dat je moeite hebt met bovenstaand aantal galopsprongen per afstand. In de training kan je deze afstanden zelf wat kleiner of groter maken om het passend te maken voor jouw paard. Let wel op dat dit de afstanden zijn die je op wedstrijd tegen zult komen. Ook voor pony’s zijn de afstanden anders door de kleinere galopsprongen.

Tip: Tel het aantal galopsprongen dat je rijdt in een lijntje hardop en probeer ook eens te variëren; kijk eens of je (bij 17 tot 24 meter) een galopsprong extra of juist een galopsprong minder kunt rijden. Dit is een goede oefening voor je tempocontrole!

Veel succes en plezier met oefenen!