Tip van de dag: Ogen dicht!

“Aangalopperen, afwenden richting de sprong en je ogen dicht doen.”  klonk de opdracht. Mijn angstige blik naar de instructeur was veelzeggend maar werd gevolgd door een nog duidelijker: “Gewoon je ogen dicht doen en vertrouwen op je beestje!”

Goed. Met mijn ogen dicht over een hindernis dus. Gelukkig had ik een fijn paard die altijd wel sprong, maar met mijn ogen dicht naar een hindernis was toch wel andere koek. Ik besloot te luisteren (Had ik een keus??) en het gewoon te doen. Aangalopperen, afwenden richting de sprong en mijn ogen dicht doen. Mijn paard galoppeerde rustig onder me verder en ik voelde haar aantrekken naar de hindernis. Ze nam me mee in haar sprong en bracht me veilig naar de overkant.

Poe. Gelukt. Fijn. Mijn gedachten werden onderbroken door de volgende instructie: “ Nog een keer! En nu iets minder gespannen zitten meisje! Je paard helpt je er wel overheen!”

Na meerdere keren met mijn ogen dicht te hebben gesprongen begon ik de achterliggende gedachte van de oefening te begrijpen. Meer vertrouwen hebben in je paard en voelen wat er gebeurt.
Tot op de dag van vandaag ben ik dankbaar voor die instructie.

Door te rijden met je ogen dicht kom je wat dichter tot je paard en je gevoel. Je gaat meer op subtiele dingen letten zoals je houding en zit of de druk op je teugels. Je voelt eerder of je paard scheef loopt of niet voorwaarts is.

Mijn tip voor jullie: Probeer het ook eens.
Springen hoeft natuurlijk niet meteen, begin eens bij de dressuurmatige training.
Wijk eens een paar pasjes of ga eens doorzitten met je ogen dicht. Je zal meer gevoel krijgen met de oefening en een betere controle over je lichaam krijgen.

Succes!

(En denk wel even aan je mederuiters; in een drukke baan rijden zonder te kijken kan problemen geven. Doe het dan slechts een paar pasjes of probeer het liever eens als je alleen aan het rijden bent ;))

Hindernissen en lijntjes rijden

Dit artikel schreef ik voor Pumps & Paarden en werd vorige week gepubliceerd in de Instructiecolumn rubriek.

Door het rijden van balkjes, cavaletti en eventueel in-uitjes heb je je paard goed opgewarmd en kunnen we verder met het rijden van een hindernis.
Als je begint met het rijden van een enkele hindernis kan je deze het beste op een ‘makkelijke’ plaats neerzetten. Dit is bijvoorbeeld op een lange zijde of op de diagonaal.  (Hierbij hou je wel de hoefslag vrij voor bijvoorbeeld andere ruiters. Bij het rijden met een jong paard is het wel makkelijk om een hindernis op de hoefslag te zetten.)
De hindernis bouw je rustig op door er eerst een kruisje van te maken en dan rustig op te bouwen naar een stijlsprong en later een oxer.
Het aanrijden van een hindernis doen we in principe vanuit galop, maar als je er voor de eerste keer overheen gaat is het rijden vanuit draf ook prima.

Het is belangrijk dat je recht op een hindernis afrijdt. Hierdoor kun je de afstand goed inschatten en kun je mooi over het midden van de sprong rijden. Als je moeite heb met het recht aanrijden van een hindernis is het goed om de zijwaartse hulpen te oefenen.

Slingert je paard naar de hindernis? Meestal komt dit door een te laag tempo. Iets naar voren rijden zorgt er vaak voor dat je paard niet meer slingert.
Wijkt je paard voor de sprong iets uit naar rechts? Druk hem dan met je rechterbeen terug in je lijn. Als je paard hier niet goed op reageert is het verstandig om eerst dressuurmatig de buiging en de reactie op je rechterbeen te oefenen door het rijden van kleine voltes en het wijken voor de kuit.

Wijkt je paard voor de sprong uit naar links? Zelfde verhaal als hiervoor, maar dan oefenen je juist de buiging en reactie op je linkerbeen.

Tempo
In het aanrijden naar een hindernis probeer je een voorwaarts tempo te houden. Dit is belangrijk, omdat je dan kan schakelen naar de hindernis toe. Als je te langzaam rijdt is de kans op het maken van fouten groter. In de dressuurmatige training kan je het tempo ook oefenen. Probeer veel te schakelen in de galop, regelmatig een wat hoger tempo aan te houden en af en toe in de verlichte zit te galopperen.

Lijn rijden
In het rijden van een lijn, waarbij twee (of meer) hindernissen achter elkaar staan binnen een aantal galopsprongen van elkaar, is het belangrijk dat je je paard recht en voorwaarts kan houden.
Om te beginnen is het makkelijk om van de eerste hindernis een kruisje te maken, zodat je makkelijk het midden aan kunt houden.
Zorg dat je in een voorwaarts tempo naar de eerste hindernis toe rijdt en over het midden springt. Boven de eerste sprong kijk je al naar de tweede hindernis, houdt een voorwaarts tempo aan en houdt je paard tussen je twee benen (de zijwaartse beenhulpen zijn hier belangrijk!) om slingeren te voorkomen.

Bij het rijden van lijntjes kan je variëren in aantal galopsprongen en hoogte. Ook kan je twee hindernissen op een gebroken lijn zetten, waarbij het belangrijk is dat je je paard in de wending om je binnenbeen kan buigen.

De afstanden tussen twee hindernissen in een lijntje zijn (voor een paard, ongeveer) als volgt:

1 galopsprong: 7 meter (een dubbelsprong)
2 galopsprongen: 10,5 meter (ook een dubbelsprong)
3 galopsprongen: 14 meter
4 galopsprongen: 17 tot 17,5 meter
5 galopsprongen: 21 meter
6 galopsprongen: 24,5 meter

Als jouw paard een kleine of juist hele grote galopsprong heeft kan het zijn dat je moeite hebt met bovenstaand aantal galopsprongen per afstand. In de training kan je deze afstanden zelf wat kleiner of groter maken om het passend te maken voor jouw paard. Let wel op dat dit de afstanden zijn die je op wedstrijd tegen zult komen. Ook voor pony’s zijn de afstanden anders door de kleinere galopsprongen.

Tip: Tel het aantal galopsprongen dat je rijdt in een lijntje hardop en probeer ook eens te variëren; kijk eens of je (bij 17 tot 24 meter) een galopsprong extra of juist een galopsprong minder kunt rijden. Dit is een goede oefening voor je tempocontrole!

Veel succes en plezier met oefenen!

Waarom springen zo leuk is

Dit artikel schreef ik voor de online blog Pumps en Paarden en werd enkele weken geleden gepubliceerd.

Niet elke ruiter (of elk paard!) doe je een plezier met een hindernis. Er zijn heel wat ruiters die balken angstvallig uit de weg gaan en er al helemaal niet aan moeten denken om meerdere hindernissen te springen. Toch is het springen een hele leuke maar vooral ook nuttige discipline. Het gebruik van balken, op wat voor manier dan ook, draagt bijna altijd bij aan het gymnastiseren van je paard.

In dit artikel wil ik jullie enthousiast maken voor het springen en tips meegeven om lekker mee aan de slag te gaan; voor alle niveaus.

Balkjes draven
Als je begint met springen is het altijd goed om balkjes te draven, zowel voor de ervaren springruiter als de beginner. Het draven van balkjes en het rijden van in-uitjes is voor ieder paard van gymnastiserende waarde. Ook voor een dressuurpaard is dit goed! Je maakt je paard hier soepel mee en traint de achterhand.

Voor het draven over de balken moet je ervoor zorgen dat de afstand tussen de balken 1.20 meter tot 1.50 meter is. Je kan deze afstand variëren om het makkelijker te maken voor je paard, maar ook juist om de moeilijkheden op te zoeken; je kan de balken voor een paard met een korte pas steeds wat verder uit elkaar leggen met als doel om zijn passen te verruimen.

Zo kan je steeds meer balken achter elkaar leggen om overheen te draven, maar let op dat het er niet teveel worden. Begin met één balk en breidt het uit tot maximaal vijf achter elkaar, omdat het een vrij grote inspanning is voor het paard.

Het draven van balken kan je uitbreiden door er cavaletti van te maken. De cavaletti zijn zo’n 10 tot 20 centimeter hoog en zorgen ervoor dat je paard meer van de grond moet komen (en daardoor meer spieren gebruikt en meer souplesse krijgt).

Voor variatie kan je de balken of cavaletti ook in een ander patroon neerleggen. In een gebroken lijn of op een volte bijvoorbeeld. Een voordeel hiervan is dat het binnenachterbeen van het paard in een wending sterker gemaakt wordt. (en dat je eigen stuurwerk erdoor verbeterd!)

In-uitjes
In-uitjes zijn een serie lage hindernissen achter elkaar waarbij het paard elke galopsprong weer over een balk springt. Het lijkt een beetje op het rijden van cavaletti, maar dan vanuit de galop.

De balken in de in-uitjes leg je op een hoogte van 10 tot maximaal 45 centimeter. De afstand tussen de balken is 3 tot 3,5 meter. Het rijden van in-uitjes heeft ook weer een gymnastiserende werking, maar kan ook je ruitergevoel op de hindernis verbeteren.
Let op bij het rijden van in-uitjes dat het voor veel paarden een flinke inspanning is. Begin met 2 sprongetjes achter elkaar en breidt dat, heel rustig, uit. (Het liefst onder toeziend oog van een instructeur!).

Enthousiast geworden? Ga lekker aan de slag met het rijden van cavaletti en in-uitjes! Volgende keer werken we naar hindernissen en lijntjes toe.

Denksport

Door niet-paardensporters wordt er vaak gezegd dat paardrijden geen sport is, omdat een paard al het werk doet. Als je die personen vervolgens naar Adelinde of naar Edward laat kijken en ze zeggen : “zie je, de ruiter doet toch niks!?” moet je de criticus haast wel gelijk geven; de ruiter doet niks….

Hoe kan het dan dat wij zelf uren, maanden, jaren zwoegen om een paard te laten wijken? Of om überhaupt stil en rechtop te kunnen blijven zitten? Zeker in het begin van je paardrijcarrière zal je dagen gehad hebben dat je van de spierpijn niet meer kon lopen. Hoe kan het dan dat een profruiter “niks” doet?

Mijn eigen ervaring is dat hoe langer ik rij hoe meer ik besef dat het moeilijk is om zo min mogelijk te doen.

Als ik op mijn oude merrie zit dan hoef ik bijna niks te doen. Alleen maar zitten. Alleen maar zitten en bedenken wat ik wil doen en ze springt de wissels en loopt de appuyementen. Soms een beetje linkerbeen, soms een beetje rechterbeen, maar meer eigenlijk niet. Nu vertel ik ook heel trots aan iedereen dat het zo’n heerlijk simpel beestje is.

Maar dat is nu. Ik ben het alweer bijna vergeten maar filmpjes van enkele jaren geleden helpen me weer herinneren; het ging niet altijd zo gemakkelijk. De problemen begonnen vroeger al bij het opstappen. Teugels op maat en goed opletten want de kans dat ze steigerde voordat je überhaupt je been over het zadel heen had gezwaaid was groot. Als ik vervolgens zat moest ik bij iedere handeling die ik uitvoerde goed nadenken want alles kon leiden tot groot protest.

Over het hoe en waarom van het gedrag van het paard in die tijd vertel ik nog wel een keer, maar op een gegeven moment ging het roer om en sindsdien is ze het makkelijkste beestje dat ik ken.

Wat mij betreft is paardrijden wel degelijk een sport. Geen krachtsport, geen duursport maar een subtiele combinatie van beide. Het mooiste woord ervoor vind ik eigenlijk denksport. Als ik Adelinde zie rijden lijkt ze Parcival wel aan te sturen met haar gedachten en ook bij het rijden van mijn eigen paard heb ik regelmatig dat gevoel; alleen de gedachte aan een oefening maakt dat jouw lichaam zulke subtiele hulpen geeft dat het paard jou volledig begrijpt…

‘Aan de teugel’

“Ik wil ook zo graag een paard aan de teugel rijden. Hoe moet dat?”

Oei. Daar is ie. De vraag waarvan ik hoopte dat ze hem (nog) niet zou stellen.

Mijn lesklantje is een jonge meid die pas een paar maanden paardrijdt, maar best handig en heel mondig is. Toegegeven; deze meid rijdt behoorlijk pittig voor haar leeftijd, maar is toch echt een beginner. Ze wil graag veel en snel leren en het liefste in 2016 meedoen aan de Olympische Spelen in Rio, dus wat haar betreft mag er schot in de zaak komen.

Hoe dit aan te pakken? Mijn mening is vooral dat beginners (zowel jong als oud) vooral meters moeten maken. Duizenden en duizenden meters. Het ‘aan de teugel’ rijden is iets wat ik het liefste niet (of zelfs nooit) in mijn lessen bespreek. Zeker niet bij beginners. Naar mijn mening moeten beginners eerst leren correct te zitten, contact te houden op twee teugels, netjes leren sturen en het paard leren aanvoelen.

Als een ruiter een goede slangenvolte kan rijden en het tempo kan controleren zie je vaak vanzelf dat het paard de aanleuning opzoekt en hiermee dus het begin aangeeft van het fijne gevoel wat ook wel ‘aan de teugel rijden’ genoemd wordt.

Als de ruiter eenmaal ver genoeg gevorderd is in dit stadium kan je als instructeur aan gaan vullen door opmerkingen als : “iets meer druk op de buitenteugel” of “toestaan”. Tot die tijd denk ik echter dat het belangrijk is om aandacht te besteden aan de basis: houding, zit en een goed gevoel en gelijke druk op twee teugels.

En wat ik tegen mijn lesklantje zeg?

“Veel oefenen en wie weet wat de toekomst brengt….”

Een kijkje in de spiegel…

 Ieder paard heeft zijn eigen karakter. Regelmatig hoor je op stal dat er bepaalde karakters toebedeeld worden aan paarden. Het ene paard is zo lief, de ander is grappig, weer één is chagrijnig en de laatste is zelfs vals.
Met name deze “chagrijnige” en “valse” paarden worden (vooral op maneges) nogal eens gemeden. Paardrijden blijft voor de meeste van ons natuurlijk een hobby en je wilt niet voor je plezier omgaan met een vals paard, vooral niet als je ook nog het risico loopt om gebeten of getrapt te worden.

Heb je er weleens bij stilgestaan waarom paarden zich uiten op de manier dat ze doen?
Paarden staan erom bekend dat ze functioneren als een spiegel; ze reageren op jou en zullen daarop ‘gepast’ gedrag vertonen.

Een angstig paard kun je daarom het beste met rust benaderen en ook een zogenaamd vals paard wordt niet beter van “hou op!” en “doe normaal!” te roepen.

Er is een gezegde: “Behandel een ander zoals je zelf behandeld wenst te worden” en dit geldt ook voor de omgang met paarden.

Bedenk dus goed wat voor indruk je zelf maakt voordat je beschuldigend wijst naar die ene chagrijnige, valse, bijtende merrie…..